De Doort

De Doort is een langgerekt natuurgebied, dat ligt tussen Echt, Susteren en Dieteren; op de grens van Midden-Limburg en Zuid-Limburg; op de vroegere grens van Gelre en Gulik. Het gebied bestaat uit eer een grote afwisseling van bossen, weilanden, moerassen, plassen, beken en akkers. De naam, de Doort, duidt op een gebied met ‘doornenstruiken’; het gebied is dus waarschijnlijk voor een groot deel altijd bos gebleven, of is althans al zeer lang bos. Maar dan wel een gebruikt bos: een midden-bos waar om de paar jaar het hakhout werd afgezet, en waar ook bomen konden blijven staan om later te gebruiken als zwaar timmer- en zaag­hout. Verder zijn er in de klei vele ondiepe tichelgaten gemaakt om klei voor de baksteen- en dakpannenindustrie te winnen. De meeste van deze kleigaten zijn nu waterplas of moeras; enkele gaten zijn weer gedicht en beplant met bos. Op nag weer andere plaatsen hebben boeren eeuwenlang akkers, wei- en hooilanden gehad. Al dit menselijk gebruik is nooit heel intensief en grootschalig geweest, omdat de bodem te nat, te zwaar was en te vaak overstroomde bij hoge maaswater­standen.

Bodem en water

De Doort is gelegen, op een plaats waar vroeger de Maas stroomde en daar dikke lagen zand en grind afzette, met daarboven op een kleilaag van een paar meter dik. Deze laag klei bepaalt in sterke mate de natuur van de Doort.

Flora en fauna

lndrukwekkender zijn de unieke bossen van de Doort. Zware essen, dikke zomereiken, enorme Amerikaanse eiken, hoge boomkrieken, iepen, reuze abelen, verrassend dikke zwarte elzen, allemaal in zeer dichte stand, beheersen het bosbeeld in de Doort. De rijke kleibodem heeft gezorgd dat de bomen een enorme hoogte hebben kunnen bereiken en de vroegere bosgebruiker zorgde dat de bomen in het middenbos voldoende vrije ruimte kregen, waardoor de boomkronen nu grote afmetingen hebben. De vochtige kleibodem heeft veel vruchtbaarheid te verdelen, waardoor er ook een struiklaag tot ontwikkeling kan komen, met daarin kornoelje, opslag van de es en iep en jonge boskrieken. Dit beeld wordt verder kompleet gemaakt met een rijke bodemvegetatie met daarin tapijten van de bosanemoon, speenkruid, sleutelbloemen, gevlekte aronskelk, muskuskruid, blauwsporig bosviooltje, gele dovenetel, maagdenpalm, eenbes en vele andere fraaie planten. Maar al deze dingen maken de Doort nag niet tot het ‘grote avonturenbos’. Dat is te wijten aan het felt dat er aI tien­tallen jaren nauwelijks beheersmaatregelen zijn uitgevoerd in dit bos; alleen enkele percelen populier zijn omgevormd tot eiken­en essenbos. Doordat er nauwelijks is gekapt staan er vele dode bomen, liggen er bomen over de kleine sluipdoor-kruipdoor paadjes. Iedere tien meter is weer anders en elk deel van het bos ademt weer zijn eigen sfeer uit; soms heel dicht en onover­zichtelijk; soms opener met uitzicht over tapijten bloemen; soms met verrassende uitzichten over bloemrijke graslanden. In de bramen langs het bos komt de waardebepalende soort van de Doort voor: de boomkikker. De boomkikker is maximaal zo’n 4 cm groot, heeft een mooie gladde rughuid en is meestal heldergroen en vanaf de snuit naar de beide zijkanten loopt een zwart/gele streepjes. Aan de uiteinden van de vingers en tenen hebben ze schrijfvormige zuignapjes. En zoals er zoveel in de Doort bijzonder is, zijn ook de graslanden bijzonder: barstensvol met bijna bloeiende margrieten, veel knoopkruid, met de harige ratelaar, pinkersbloemen, beemdkroon en gewone vogelmelk. Weer andere hooilanden zien geel van de scherpe boterbloem. Graslanden dus, zoals je ze alleen nog maar in natuurgebieden ziet.

Status, eigendom en beheer

Sinds begin jaren tachtig is de Staatsbosbeheer de eigenaar en beheerder van dit natuurgebied; in de eerste plaats om de natuur te behouden en te ontwikkelen. Het maai-, hooi- en beweidingsbeheer zal ervoor zorgen dat deze graslanden zich nag verder zullen ontwikkelen naar soortenrijkere graslanden. In samenwerking met vele andere, zijn in de loop der tijd beheersmaatregelen getroffen om de boomkikker te beschermen: aanleg van poelen, inlaten van water in de boomkikkervijvers, aanleg van een waterdichte vijver voor de echt droge tijden, laten ontwikkelen van braamstruwelen, uitdiepen van te ondiepe kleiputten en het beheer van hooilanden waar de boomkikker haar insekten vindt. Dit beheer is nodig om de grootste boomkikkerpopulatie van Nederland verantwoord te beschermen.