|
Swalm - algemeen
|
|

Kasteel Tuschenbroich bij de oorsprong

Donderberg nabij de monding
|
De Swalm heeft een stroomgebied van circa 277 km2 waarvan 26 km2 in Nederland.
De beek heeft van de bron tot de monding een lengte van circa 43 km, waarvan 12,2 km
in Nederland. De Swalm ontspringt ten oosten van Wegberg en mondt uit in de Maas iets
ten noorden van Swalmen. In Duitsland is het hoogteverschil bijna 60 meter: van 85 meter
NAP bij de bron naar 26,3 meter NAP bij de grens, leidend tot een gemiddeld beekverhang
van 1,9 m/km. De uitmonding in de Maas in Swalmen ligt op een niveau van ca 14m NAP
(stuwpeil Belfeld).
De Swalm is een van de weinige beken die in Nederland die beek op natuurlijke wijze
door het landschap meandert.
In het verleden is het grondgebruik rondom het Swalmdal drastisch veranderd.
Het landschap in het begin van de negentiende eeuw bestond
nog vrijwel geheel uit woeste gronden. Er zijn paden aangelegd en men zijn de
terreinen gaan gebruiken als graasplekken voor schapen.
Bossen kregen een rechtlijnig padenpatroon wat wees op landgoederen in Franse stijl.
Natte heide werd ontgonnen en bossen werden aangelegd voor de houtproductie, woeste gronden
werden ook steeds meer verbouwd ten behoeve van de landbouw.
Veel van deze landbouwgronden hebben in de loop van de tijd een dikke eerdlaag gekregen
door het opbrengen van mest, zand en plaggen.
De dalbodem van de Swalm bestond ook begin 19e eeuw uit broekbossen, afgewisseld
met grasland. De overeenkomsten in het meanderpatroon in 1803 en de huidige situatie is
in Nederland opmerkelijk: een groot deel van de meanderbochten is nagenoeg onveranderd.
In Duitsland daarentegen is een groot deel van de Swalm gekanaliseerd.
2.1. Geologie, geomorfologie
De relatief hoge landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden van het stroomgebied
van de Swalm zijn voornamelijk te danken aan het voorkomen van veel verschillende milieutypen en, in het bijzonder, de overgangen (gradiënten) daartussen. De ontstaanswijze van het landschap ligt hieraan ten grondslag. Het terrassenlandschap van Maas en Rijn, met dwars daarop de insnijding van het Swalmdal levert een reliëf op dat wordt gekenmerkt door steilranden, terreintreden en oude Maasarmen. Lokale terreinvormen als dekzandruggen en stuifduinen vergroten de verscheidenheid.
Het reliëf en de aanwezigheid van breuken en slechtdoorlatende lagen leiden tot gradiënten
van droog naar nat en het voorkomen van kwelgebieden en bronnen. Verschillen in hoogteligging
en geologische oorsprong leiden tot gradiënten van voedselarm naar voedselrijk. In de bedding
van de Swalm leiden de terrastreden tot variatie in verhang, substraatsamenstelling en
morfologie.
Het Duitse traject heeft grotendeels een noordelijk tot noordwestelijke stromingsrichting.
Bij Brüggen buigt de Swalm naar het westen af. Het Nederlandse traject heeft grotendeels
een oost-westelijke richting; na Swalmen buigt de beek naar het noorden af, om nabij Wieler
uit te stromen in een oude Maasmeander. De laatste 600 m zijn gelegen in een jongere
Maasmeander die sinds 1963 door bochtafsnijding ten behoeve van de scheepvaart gescheiden
is van de Maas. Het zuidelijk deel van deze rivierbocht is gedempt. Hierin is voor de Swalm
een nieuwe loop (met een normaalprofiel) gehandhaafd.
Het grootste deel van de Nederlandse Swalm kent een nagenoeg natuurlijk meanderend karakter:
de beeklengte is hier anderhalf maal de lengte van de vallei in vogelvlucht
(sinuositeit = 1,5). Het beekprofiel is sterk wisselend, met flauwe binnenbochten en
tot 3 m hoge steile buitenbochten. Op de dalbodem liggen diverse oude meanders, ontstaan
door spontane geulverlegging.
Ook in de Duitse bovenloop bevinden zich sterk meanderende trajecten (Schwaam en omgeving).
Het middengedeelte is in de jaren 1920-1930 echter grotendeels gekanaliseerd.
Hiervan is nabij Brüggen in 1996 weer 2 km heringericht. Elders begint spontaan
weer enige lichte meandering op gang te komen. Als gevolg van de kanalisatie is
in het gedeelte ten oosten van de rijksgrens sprake van een sterke bodemerosie
(tot 60 cm in 15 jaar). Het vrijkomende sediment slaat deels in het Nederlandse
deel van de Swalm weer neer, waar sprake is van verzandende grindbanken.
De Swalm heeft als bodemsubstraat fijn en grof zand met plaatselijk grind en stenen.
De macrofauna soorten die er voorkomen zijn soorten die houden van snel stromende wateren
met een gevarieerd bodemsubstraat .
2.2. Grondwater
Grondwaterkwantiteit
In het grootste deel van het stroomgebied is sprake van lokale kwel:
het grondwater heeft een relatief korte route door de bodem afgelegd.
Plaatselijk is echter sprake van regionale kwel die zich kenmerkt door vrij
hoge concentraties opgeloste mineralen. Dit is met name het geval ten westen
van Swalmen, waar de Swalm dicht bij de Peelrandbreuk ligt, een breukvlak tussen
de aardschollen van de Peelhorst en de Roerdalslenk. Hier komt water aan de
oppervlakte dat honderden jaren oud is.
De verdrogende invloed van de verbeterde ontwatering sinds de jaren '70 is
in de Peelhorst sterker dan in de Roerdalslenk. Door de dunnere watervoerende
pakketten is de buffercapaciteit in de Peelhorst geringer.
In Swalmen bevinden zich vier industriële grondwateronttrekkingen met een
gezamenlijke winning van ruim 400.000 m3/jaar. In Asselt is een drinkwater-winning
van circa 2 miljoen m3 per jaar.
In het Duitse Swalmdal worden de grondwaterstanden sterk beïnvloed door de
bronnering van de bruinkoolgroeves ten oosten van Erkelenz. Bij Wegberg is
de grondwaterstijghoogte sinds 1950 reeds enkele meters gedaald. Als gevolg van
de geplande uitbreiding van de groeves in westelijke richting (Garzweiler II) zal
het grondwater hier nog verder dalen. Mogelijk heeft de bruinkoolwinning ook
invloed op de diepere kwelstromen in het Nederlandse Swalmdal.
Als compenserende maatregel voor het afnemen van de hoeveelheid
bron- en kwelwater in
Duitsland wordt nu bronneringswater in de Swalm geleid. Dit vormt
echter alleen een compensatie voor de hoeveelheid water in de beek en niet
voor de verdrogende bronnen en kwelgebieden zelf .
De snelle ontwatering van landbouwgebieden door sloten en zijbeken leidt naast
verdroging van nabijgelegen natuurgebieden tevens tot een grotere belasting van
de Swalm en de Maas tijdens hoogwaterperioden.
Grondwaterkwaliteit
Over het algemeen geldt voor de kwaliteit van het kwelwater in het
gebied dat er een relatie is tussen de ligging in het terrassenlandschap en
de parameters elektrisch geleidingsvermogen (EGV), pH, chloride en ijzer.
Het kwelwater aan de voet van het hoogterras en het middenterras heeft overwegend
zandpakketten doorstroomd met veel ijzer, weinig kalk en lage ionenconcentraties
(lage EGV). Bron- en kwelgebieden in het laagterras en het holocene Maasdal
hebben veelal een kleibodem, waarin weinig ijzer, maar meer kalk en voedingsionen
aanwezig zijn. Bovendien is de reistijd van het grondwater langer en is de (lokale)
menselijke beïnvloeding sterker.
2.3. Oppervlaktewater
Oppervlaktewaterkwantiteit
De maatgevende afvoer is gesteld op 5,2 m3/s bij het meetpunt Rijksweg in Swalmen.
De gemiddelde afvoer van de Swalm over de periode 1985-1997 bedraagt 1,8 m3/s.
De maximale afvoer in deze periode was 5,82 m3/s (in 1988); de minimale afvoer was
0,55 m3/s in 1993 (tabel 1).
Vooral bij lage afvoeren worden er bij Swalmen grote schommelingen in de afvoer gemeten.
Deze worden veroorzaakt door het regelmatig vasthouden van het water in de Hariksee.
Wanneer oudere gegevens erbij worden betrokken blijken er afvoerpieken voor de
te komen tot meer dan 15 m3/s (1970) en ook extreem lage afvoeren met minder dan
0,5 m3/s (1976). De lage afvoeren komen doorgaans alleen in de zomerperiode voor.
De piekafvoeren kunnen echter gedurende het gehele jaar optreden.
In de winterperiode worden deze veroorzaakt door langdurige regenperioden;
in de zomerperiode zijn korte hevige onweersbuien meestal de oorzaak. Met name bij het laatste type buien spelen de zeven overstorten van de gemeente Swalmen een rol. Deze lozen gemiddeld 5 tot 7 maal per jaar direct of indirect op de Swalm. De hierbij vrijkomende overstorthoeveelheden zorgen voor een aanzienlijke belasting van de beschikbare berging in de Swalmbedding.
In totaal zijn in het Duitse traject van de Swalm 11 stuwen aanwezig.
In Nederland is er slechts één in de Swalm, ter hoogte van het zwembadcomplex
in Swalmen.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Bij intensieve neerslag treden in de dorpen langs de Swalm en haar zijbeken de
riooloverstorten in werking. Het overtollige regenwater komt dan, vermengd met rioolwater
in de beek terecht, wat de waterkwaliteit niet ten goede komt. Ook vindt belasting plaats
door de rioolwaterzuiverings-installaties van Wegberg en Brueggen. Een andere bron van
verontreinigingen is overbemesting en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de
aangrenzende landbouwgebieden.
Een en ander leidt tot een matige waterkwaliteit met frequente overschrijdingen van de
normconcentraties voor fosfaat, stikstof, zware metalen en vaak ook voor lindaan en
pentachloorfenol.
3.1. Flora en vegetatie
De plantengroei in het Swalmdal bestaat voor een belangrijk deel uit
broekbossen, zoals het Elzenbroekbos, Elzenbronbos, Elzen-Berkenbos en het iets drogere
Elzen-Vogelkersbos. Vooral deze natte bossen hebben een hoge natuurwaarde. Dit geldt met name voor de brongebieden
in de Leuker, Muehlenbach en Tueschenbroich.
De hoger gelegen bossen zijn voornamelijk van het type Berken-Eiken en Beuken-Eikenbos.
Ook zijn in deze hoger delen een aantal heideterreinen te vinden.
In het Elmpter Schwalmbuch komt natte heide met Gagelstruwelen voor.
Met name bij de monding van de Swalm in de Maas (Wielerbroek) zijn zeer goed ontwikkelde
dotterbloemhooilanden te vinden.
Landbouw vindt plaatselijk in en op de flanken van het Swalmdal. Hier
zijn voornamelijk graslanden en akkerlanden te vinden, waar heggen, boomrijen en
houtwallen en andere kleine landschapselementen met hoge landschappelijke waarde
voorkomen.
3.2. Fauna
De volgende zoogdieren zijn onder meer waargenomen: Waterspitsmuis, Vos, Wasbeer,
Hermelijn, Das, Bunzing, Hermelijn, Wezel, Otter, Bever, Wild zwijn, Ree,
Muskusrat, Beverrat, (incidenteel, Bruine rat), Watervleermuis en Laatvlieger.
De Das heeft in het gebied rondom Swalmen een belangrijke kernpopulatie met
diverse burchten en een groot fourageergebied dat doorloopt tot op de dalbodem
van de Swalm en haar zijbeken.
In het voorjaar van 1998 zijn langs de Duitse en Nederlandse Swalm ottersporen
aangetroffen. Ook langs de Maas en de Roer houden zich wel eens otters op.
Waarschijnlijk betreffen dit exemplaren die zich in een groot grensoverschrijdend
gebied bewegen.
Zowel langs de nederlandse en Duitse Swalm zijn inmiddels bevers (Haestert en
Dilborner Benden) waargenomen.
In de periode 1992-1997 zijn 90 soorten broedvogels vastgesteld in het Swalmdal.
Om er enkele te noemen:
IJsvogel, Grote gele kwikstaart, Bosrietzanger, Rietgors , Appelvink, Kleine
bonte specht, Zwarte specht, Groene specht, Nachtegaal, Wielewaal, Blauwborstje,
Havik, Buizerd, Wespendief en Kerkuil.
De Swalm is zeer rijk aan vissoorten. Meer dan 25 soorten kan men hier aantreffen.
De Beekforel en de Vlagzalm zijn zeer kenmerkende bewoners.
Langs de Swalm zijn onder andere de volgende herpetofauna-soorten aangetroffen:
Alpenwatersalamander, Kleine watersalamander, Groenekikker, Heikikker,
Levendbarende hagedis en de Adder.
In het gebied zijn in de periode na 1980 28 soorten dagvlinders
waargenomen, waaronder Geelsprietdikkopje, Oranje Luzernevlinder, Heideblauwtje,
Atalanta, Koevinkje en Heivlinder .
De grootste kwaliteiten van het stroomgebied zijn gelegen in de natte gebieden
(met name waar kwel optreedt), in de grote oppervlakte bos (grotendeels productiebos)
en in de deels vrij meanderende Swalm.
Het stroomgebied heeft hoge visueel-landschappelijke waarden door de
grote verscheidenheid aan landschapsvormen en het grote aandeel natuur.
Het Nederlandse Swalmdal kenmerkt zich door een grote herkenbaarheid als
gevolg van de snelstromende, grotendeels vrij meanderende beek en het
beekbegeleidende grondgebruik in de vorm van broekbossen, natte graslanden en
moerasvegetaties. Dit leidt tot een gaaf, oorspronkelijk en karakteristiek beeld
van een beekdal.
|